“We're the best fucking band on this planet.” Een zin die opvallend vaak uit de mond van muzikanten komt, met name Engelse. Ik noem een Oasis, of een Kasabian. Die laatste beweren de beste plaat van het decennium te hebben gemaakt. Geen probleem dat zelfvertrouwen. En bands die hard werken en goede platen maken mogen dat best roepen. Maar wanneer ben je eigenlijk “the best fucking band on this planet.”
Vroeger was dat veel makkelijker te definiëren. Je had The Beatles, The Beach Boys, David Bowie, Prince en zo kan ik nog wel even doorgaan. Stuk voor stuk artiesten die in een bepaalde periode gigantisch waren.
Platen vlogen met miljoenen tegelijk over de toonbank en iedereen kent de beelden van The Beatles die overal opgewacht werden door volkomen hysterische fans. Dat soort taferelen kunnen we langzaam opschrijven in de geschiedenisboeken.
Grote artiesten
Maar nu? Wat is tegenwoordig de definitie van een groot artiest? Er zijn bands die stadion na stadion uitverkopen, maar niemand zal snel zeggen dat bijvoorbeeld The Foo Fighters of Green Day “the best fucking bands on this planet” zijn.
Een zangeres als Kelly Clarkson of Madonna verkoopt nog wel miljoenen platen, maar een nieuw album van hun hand zet een natie al lang niet meer op z'n kop. En de hysterische meute beperkt zich tot de ingang van de concertzaal.
Popcultuur
Wat is er toch gebeurd met de grootsheid van muziek? Daar spelen een aantal factoren in mee. Allereerst hebben we natuurlijk de bekende boosdoener internet. Maar het is onjuist om daar alles aan te wijten. Daarentegen is het juist het enorme gebied dat popcultuur beslaat, waardoor de glans langzaam verdwijnt.
Vroeger, en dan heb ik het niet eens over heel lang geleden, zat je uren voor de radio te wachten op dat ene nummer. Nu wordt muziek je van alle kanten opgedrongen. In winkels, op alle televisiekanalen, we kennen tientallen radiostations en op internet is daar nog een veelvoud van beschikbaar. Elke winkel verkoopt tegenwoordig muziek. Van de Albert Heijn, V&D en de Mediamarkt, tot de lokale platenboer om de hoek. Via internet is een liedje nooit verder dan een muisklik weg en de hoeveelheid bands die samen de buit moeten verdelen is ook explosief gestegen.
Daarbij zijn ook de momenten waarop muziek geluisterd kan worden bijna oneindig uitgerekt dankzij ons favoriete speeltje: de mp3-speler. Muziek reikt nu overal. Niet alleen thuis en in de concertzaal, maar op elke plek waar je wenst. Een liefhebber hoeft geen tijd meer vrij te maken om te luisteren.
Rebelleren
Maar er is meer aan de hand. Muziek was er in de jaren '60 om te breken met de opgelegde normen en waarden. Met muziek kon je rebelleren tegen je ouders en de cultuur van een sobere levensstijl. Je kon je afzetten tegen een politiekstelsel waarin er nog niet zo veel individuele vrijheid was dan nu.
Want zeg nou zelf, waarom zouden wij rebelleren tegen onze ouders en het huidige kabinet? We zijn vrij, hebben het goed en al onze dromen liggen binnen handbereik. Het is in ieder geval een minder stevige voedingsbodem voor muziek.
Generaties
In bepaalde lagen van de samenleving zie je nog wel dat sommige groepen erg populair zijn. Hiphop is muziek die meer bij deze tijd past en focust zich vaak op het straatleven. Maar het aantal fans staat tot geen verhouding, zeker in Nederland, tot de generaties voor ons die de geheimen van rock 'n roll ontdekten.
We leven nu in een tijdperk waarin een aantal bands veel succes hebben, maar die op korte termijn nooit de grootsheid van bijvoorbeeld The Rolling Stones bereiken. Als we over twintig jaar terugblikken kunnen we misschien wél 'de grote' aanwijzen. Voorlopig is muziek vooral een massaproduct, of anders gezegd: de meest geaccepteerde kunstvorm in onze samenleving, waar ieder zijn eigen draai aan geeft.
Door Kristiaan Asscheman
You have to register or login to comment